Over Papoea

Papoea en West Papoea , samen het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, zijn nu de twee meest oostelijke provincies van Indonesië. Niet te verwarren met Papua New Guinee, het oostelijk, zelfstandige deel van het op een na grootste eiland van de wereld.

De twee provincies zijn samen net zo groot als Frankrijk. Een grote bergketen die dwars over het eiland loopt maakt een natuurlijke scheiding tussen noord en zuid. PJNS werkt sinds 1986 in het zuidelijke deel: de provincie Papoea en kent de districten Merauke, Mappi en Boven Digul. Er zijn in dat gebied 3 steden, Merauke, Kepi en Tanah Merah.  80% van het gebied bestaat uit oerwoud en moeras. Er zijn weinig wegen, vervoer gaat of over de brede lange meanderende rivieren of per vliegtuig. De Papoea’s in het binnenland zijn voor hun voedsel en andere levensbehoefte voor een groot deel afhankelijk van rivieren en het oerwoud. Voor hun dagelijks voedsel jagen ze op o.a. vogels. Ze vissen in de vele rivieren die het land doorkruisen. Ze leven van fruit, planten en bomen waarvan de sagoboom de voornaamste voedselbron is. Hun medicijnen komen uit het oerwoud. Het hout voor hun hutten en vuur kappen ze daar. Hun identiteit ontlenen ze aan een eeuwenlange traditie in het oerwoud. Echter, door grootscheepse ontbossing en aanleg van palmolieplantages, gefaciliteerd door de Indonesische regering, komen ze daarmee enorm in de problemen. Enerzijds verdedigen ze met hand en tand hun grond en de oude tradities maar ook de moderne tijd lonkt.

De wens om naar de steden te trekken is dan ook begrijpelijk. Echter in de steden behoren de Papoea’s tot de armste bevolkingsgroepen. Ze zijn niet- of laagopgeleid, zijn de stedelijke cultuur en het “snelle” leven in de stad niet gewend. Ze moeten met deze achtergrond werk zoeken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien en dat is een bijna onmogelijke opgave. Tevens moeten ze in de steden concurreren met Indonesiërs die een meer ondernemende geest hebben. Het zijn vooral Javanen en Sulawesiërs die daar zijn komen wonen na overplaatsing als gevolg van overbevolking op hun eigen eiland, de zogenaamde Transmigratiepolitiek. Zij krijgen bij binnenkomst een huisje en een stukje grond aangeboden, dat geldt niet voor de inlandse Papoea’s. Zij wonen aan de rand van de steden in eenvoudige optrekjes of hutten.

Ondanks de rijkdom aan grondstoffen behoort Papoea tot de meest achtergestelde regio’s van Indonesië. De opbrengsten van palmolieplantages en de grote goud- en kopermijnen verdwijnen via  Jakarta, naar grote multinationals. Voor het zelfbewustzijn van de Papoea’s en om te leren voor zichzelf op te komen, is onderwijs van groot belang.

Sinds 1986, ons oprichtingsjaar, is er in de steden een grote verandering in gang gezet. Steeds meer jongelui volgen vervolgonderwijs en willen studeren in de hoofdstad Jayapura of in Indonesië. Met het doel hun eigen land te vertegenwoordigen en van zich te laten horen. Uiteindelijk willen zij posities gaan innemen op belangrijke politieke en maatschappelijke posten om hun land te helpen ontwikkelen. Dit kost nog veel tijd, daar zijn nog meerdere generaties mee gemoeid.